
- Berend Wiedega
Het regenachtige weer van de afgelopen paar weken heeft zo ook zijn goede kanten. Onze onderzoeker ter plekke, algemeen kennisspecialist tevens regenplasdeskundige maar bovenal dichter des Kikkerlands, Berend Wiedega ontsluiert voor de lezers van BreinBorrels een paar van zijn prangende filosofieën omtrent ‘de regenplas’.
Heer Wiedega, hoe beziet u de situatie van de hedendaagse regenplas? De allesweter kijkt een moment zwijgend om zich heen en bied ons vervolgens, een op een waterpijp gelijkende beker met auberginekleurige vloeistof aan. Beleefd slaan wij het aanbod van de grootmeester af. Plotseling declameert de ziener vanuit het niets een paar kreten in een bepaalde volgorde die wij niet anders kunnen interpreteren als: “Regen, regen, voor sommigen een verzoeking, voor anderen een zegen”. Een moment is zijn blik strak op ons gericht, wij raken lichtelijk geïntimideerd. Gevleid door de illusie dat de techneut, die speelgoed sneller kan slopen dan zijn vader kan kopen, ons verwachtingsvol aankijkt zwijgen wij nederig. Het is doodstil, misschien verbeelden wij het ons, maar even lijkt het erop alsof ook de vogeltjes hun snaveltjes hebben gesloten.
Langzaam verdampt de focus van de dichter zich weer tot onverschilligheid. Nonchalant over zijn gele racemonstertje geleund kauwt hij traag op het pijpachtige mondstuk van zijn beker. Zijn blik lijkt af te dwalen naar verre horizonten. Niets is echter minder waar, in de glans van twee kneiter blauwe ogen doemt de immense regenplas op die wij tot nu toe klaarblijkelijk over het hoofd hadden gezien. Terwijl wij ons nog verbazen over onze eigen kippigheid vervolgd het visionaire regenplas orakel zijn betoog.

- Eén, twee, boem…
“Die die, deng deng, nee nee, oosje oosje, badje badje, tootje tootje, die die, boem boem, tietsje, tietsje, opa opa, haksjak haksjak, ja ja”. Wij kunnen er niet omheen dat de wonderlijke kerel, die woorden uit 136 verschillende talen door elkaar weet te gebruiken, hier natuurlijk bedoeld: “Kijk, regenplassen zijn de spiegels van de aarde. Ik bedoel, ga eens lekker zonder kaplaarzen in een regenplas staan en je weet meteen weer hoe lekker het was om droge voeten te hebben”. Wij staan perplex, de regenplas als metafoor, zoveel wijsheid in één man.
“Eén, twee, boem…”, onder het uiten van deze kreten lanceert de geleerde zich met een enorme snelheid zo van zijn motortje, midden in de plas. De man die, door de ‘drie’ in de ban te willen doen, vorige week bijna het numerieke stelsel om zeep had gebracht staat nu tegenover ons kraaiend te stampen in een plas. “Eén, twee, boem…, één, twee, boem…”. Terwijl elke ‘boem’ onze kleding natter maakt springt de dichter schaterend en in een steeds hoger tempo van been op been.

Archieffoto van de relatief onbekende Jelmer Wiedega, ‘de broer van’, in een tent, met op de voorgrond het fenomeen.
De regenplas inventief als trampoline gebruikend vervolgd het fameuze lid van KDV’s meest gevreesde gele reuzen eskader zijn dubbelspraak: “Die die, deng deng, nee nee, oosje oosje, badje badje, tootje tootje, die die, boem boem, tietsje, tietsje, opa opa, haksjak haksjak, ja ja”. Wat waarschijnlijk zoveel betekend als: “In Nederland zijn momenteel ca. 884.000 mensen die net als ik vanuit diep filosofische beweegredenen naar magische modderpoelen worden geleid. Dat lijkt misschien veel maar er zijn ook bijna 16 miljoen mensen die ons hiervan proberen te weerhouden. Een reuze klus dus, vooral als je bedenkt dat de gemiddelde ‘regenplasganger’ drie jaar oud is”.
Met zijn hippe laarsjes in het water kijkt hij ons bijna verontwaardigd aan. Het voelt alsof wij echt iets over het hoofd zien. Het geplons neemt ons in gedachten mee naar onze eigen kindertijd. Een poel van nostalgie opent zich in de rimpels van de plas. Voor even zijn wij elders, voor even zijn wij kind. Maar dan, net op het moment dat wij op het punt staan in de plas te springen slaat het heden als een bliksem weer in.

- Zoals men de wijsgeer in de Gooische bossen regelmatig tijdens een wandeling kan tegenkomen, bedachtzaam, in romper ‘pandjes-style’, op net iets te royaal geschoeide klomp.
Terwijl de ‘koude grond’ psycholoog zijn voeten weer naar drogere gronden verplaatst mompelt hij ingespannen wat wijze woorden onverstaanbaar voor zich uit. Het was ons al eerder opgevallen dat de wijsgeer aan de ene kant op een behoorlijk gewichtige manier blijk wist te geven van zijn eruditie en statuur maar aan de andere kant toch ook op geen enkele manier rekening wenste te houden met zijn gehoor, en of zijn boodschap daadwerkelijk wel overkwam. Bedachtzaam liep hij nu heen en weer. Dan weer met zijn handen op zijn rug, dan weer met de, op een drinkfles gelijkende, pijp tussen zijn tanden geklemd. Wij realiseren ons dat de denker met hogere zaken in de weer is en houden wijselijk onze mond.
De professor die zichzelf in ons bijzijn consequent ‘Deng’ noemt wijst op een aantal speelatributen. De toestellen die schijnbaar alle zijn eigendom zijn, benoemd hij ondertussen stuk voor stuk als Deng. Wij zijn onder de indruk. Voor zover wij kunnen beoordelen is de halve camping waar wij ons bevinden in het bezit van de blonde, naar het nu ook blijkt, entertainment toestellen magnaat. Op datzelfde moment hollen er twee jaargenoten van de geïnterviewde op een drafje naar één van de zojuist aangewezen paddenstoelenhuisjes.

De dichter’s gezicht verstrakt plotsklaps tot bloedserieus. Boven twee gloeiende konen kijken zijn ogen ons vragend, en misschien zelfs een tikkeltje in paniek, aan. Zijn wijsvinger priemend op het kabouterhuisje begint hij als in trance zijn zelfbedachte naam te herhalen. “Deng, Deng, Deng”. Of het nu toeval is of niet, de twee indringers druipen even snel weer af als zij waren gekomen, ons ondertussen verbijsterd achterlatend.