Huub Klaverblad voorzitter van de Vereniging voor Behoud van Kritische Vragen van Nederlandse Twee-jarigen (VBKVNT): Momenteel krijgen wij vaak de vraag: Doeje? In Algemeen Beschaafd Nederlands zou je zoiets het best kunnen omschrijven als: ‘Wat doe jij?’.
In de praktijk is het niet altijd gemakkelijk om hier een passend en eenduidend antwoord op te formuleren. Helemaal al niet wanneer je zelf geen enkel benul hebt van wat je nu precies aan het doen bent.
Ook wanneer de vraag in hoog tempo en herhaaldelijk wordt gesteld kan dit problemen opleveren. U kunt zich misschien voorstellen dat wanneer u een onwillige fietsband probeert te plakken de kans van slagen na het 664ste antwoord: ‘bandje plakken’, aanmerkelijk daalt.
Volgens Klaverblad speelt de perceptie ook een belangrijke rol in het correct beantwoorden van de ‘doeje’ vraag. Zo is ‘bandje plakken’ juist maar wanneer je de band vervolgens weer oppompt is ‘bandje oppompen’ weer beter.
Volgens de VBKVNT praeses een complexe vraagstelling dus die nimmer genegeerd, maar altijd op een effectieve manier afgehandeld dient te worden. Of de ‘doeje’ vraag zoals bepaalde ouders beweren door twee-jarigen wordt ingezet als traineer trucje kan de bestuurder niet bevestigen.
Klaverblad ziet voor slachtoffers die gebukt gaan onder het ‘doeje’ offensief wel licht aan het einde van de tunnel. Hij denkt hierbij aan het enorme scala aan varianten welke er tegenwoordig als alternatief voor de ‘doeje’ vraag voorhanden zijn. ‘Doe je papa?’, ‘mama wat doe je?’, ‘papa doe je?’, ‘mama doen?’ of gewoon het simpele ‘doen?’ zeggen iets over de enorme veelzijdigheid die onze twee-jarigen ons kunnen bieden.
Een herfstkiekje van ‘doeje’ kanon, Boris Veelschram




